Bij een ramp of crisis moeten hulpverleners en hulpverleningsdiensten snel omschakelen naar één organisatie die het incident bestrijdt, met de benodigde mensen, materialen en middelen. Dit heet opschalen. Het gebeurt via de zogeheten GRIP-procedure.

Wat is GRIP?

De GRIP systematiek kent zes opschalingsniveau's: GRIP 1 t/m 5 en GRIP Rijk. Voor elk niveau is vastgelegd wie verantwoordelijk is, met welke bevoegdheden. Via de GRIP-procedure zoekt de crisisorganisatie het meest geschikte niveau van afstemming en samenwerking.

Grootschalige alarmering

De criteria voor een (grootschalige) alarmering zijn helder vastgesteld in ons Regionale Crisisplan. Op die manier gaat geen kostbare tijd verloren en is het direct duidelijk wanneer de crisisorganisatie aan de slag moet. Grootschalige alarmering gebeurt in de volgende gevallen:

  • Een plotseling, ernstig en grootschalig incident waarbij (het vermoeden bestaat dat) veel slachtoffers zijn gevallen.
  • Een ernstig en grootschalig incident waarbij (het vermoeden bestaat dat) het welzijn van de bevolking ernstig wordt bedreigd.
  • Overige gevallen waarbij een onmiddellijk grootschalig optreden noodzakelijk is.


Crisisorganisatie is flexibel

GRIP is een vaste structuur. Maar waar nodig kunnen ook buiten de GRIP-opschaling onderdelen van de crisisorganisatie in actie komen. Ook is het mogelijk dat de crisisorganisatie besluit om af te wijken van de inzet en samenstelling van de vaste teams, als de situatie daar om vraagt.

Opschaling gebeurt niet per definitie stap voor stap: bij een crisis die zich snel ontwikkelt, kunnen één of meerdere fasen worden overgeslagen. In sommige gevallen is er nog geen CoPI (Commando Plaats Incident), maar is er toch al sprake van GRIP 2 of hoger.

Vooral bij sluimerende crises en (voorzienbare) incidenten is het goed om flexibel te werken en te kijken naar wat er precies nodig is. Als daar behoefte aan is, wordt een 'team op maat' of een voorbereidende staf samengesteld.

GRIP-niveaus


GRIP 1

  • Wanneer: Als bij de bestrijding van een incident meerdere disciplines betrokken zijn en structurele coördinatie tussen de disciplines noodzakelijk is.
  • Organisatie: Er wordt op de plaats van het incident een team ingericht, het commando plaats incident (CoPI). Dit team wordt geleid door de leider CoPI.


GRIP 2

  • Wanneer: Als multidisciplinaire coördinatie nodig voor werkzaamheden die niet te overzien zijn vanaf het plaats van het incident.
  • Organisatie: Naast het CoPI wordt een regionaal operationeel team (ROT) ingericht. Dit team wordt geleid door de Regionaal Operationeel Leider genoemd.


GRIP 3

  • Wanneer: Als multidisciplinaire coördinatie nodig is en de burgemeester ondersteuning nodig van een gemeentelijk beleidsteam voor een goede besluitvoering.
  • Organisatie: Naast het CoPI en het ROT wordt een gemeentelijk beleidsteam (GBT) gevormd, onder voorzitterschap van de betrokken burgemeester.


GRIP 4

  • Wanneer: Als multidisciplinaire en bestuurlijke coördinatie nodig is bij een crisis die meerdere gemeentes treft (of als het gevaar hierop dreigt).
  • Organisatie: Het GBT komt te vervallen en er wordt een regionaal beleidsteam (RBT) gevormd, onder voorzitterschap van de voorzitter veiligheidsregio. In onze regio is dit de burgemeester van de gemeente Utrecht.


GRIP 5

  • Wanneer: Als multidisciplinaire en bestuurlijke coördinatie nodig is bij een crisis die meerdere regio's treft (of als het gevaar hierop dreigt).
  • Organisatie: De regio waar de crisis is begonnen neemt in principe de coördinerende rol op zich. De voorzitter van de bronregio neemt niet de bevoegdheden van de overige betrokken voorzitters veiligheidsregio over.


Landelijke opschaling

  • Wanneer: Als de nationale veiligheid in het geding is en er behoefte is aan facilitering, sturing of richting geven op rijksniveau.
  • Organisatie: De Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb) of de Interdepartementale Commissie Crisisbeheerisng (ICCb) kan bijeen komen. Dit kan van kracht zijn in combinatie met GRIP 1 t/m 5 of zonder dat er sprake is van opschaling in de veiligheidsregio. Meer hierover vindt u in nationaal handboek crisisbesluitvorming 2016.


GRIP-schema

Kijk voor het uitgebreide GRIP-schema in de bijlage van het Regionaal Crisisplan Utrecht. Het crisisplan vindt u bij 'Besluiten en publicaties'. Hierin staat precies hoe de bevoegdheid in elk GRIP niveau eruit ziet, wie de ondersteuning is van het bevoegd gezag en hoe de afstemming verloopt.

Bevoegd gezag en operationele leiding

Bestuurlijke leiding en eindverantwoordelijkheid

De bestuurlijke leiding en de eindverantwoordelijkheid voor de afhandeling van incidenten en crises liggen bij de plaatselijke burgemeester of bij de voorzitter van de veiligheidsregio.

Operationele leiding

Operationele leiding betreft de bevoegdheid tot het geven van bindende aanwijzingen aan commandanten / hoofden van de disciplines die bij de crisisbestrijding samenwerken. De operationeel leider doet dit zónder zich te bemoeien met de eigen bevoegdheden van deze disciplines en diensten. De operationeel leider werkt in opdracht van de burgemeester of voorzitter van de veiligheidsregio.

Afhankelijk van het opschalingsniveau ligt de operationele leiding bij de Calamiteitencoördinator (CACO), Leider CoPI of Regionaal Operationeel Leider (ROL). Bij een GRIP 5 of een GRIP Rijk wijzen de voorzitters van de betrokken veiligheidsregio’s een Coördinerend Operationeel Leider aan. In principe is dit de Regionaal Operationeel Leider van de regio waar de crisis is ontstaan.